HET WOORD IS BEELD GEWORDEN

Bij mijn afscheid van de NRC

Af en toe lees ik iets over de “ontlezing” van Nederland, en soms ook over de alles doordringende “beeldcultuur” van onze dagen. Wat ik me uit het afgelopen jaar herinner aan berichten over ontlezing is niet eenduidig. De een slaat groot alarm, de ander zegt dat het niet slecht gaat of zelfs goed. Vaste prik is wel dat iemand die erover begint ontlezing beschouwt als een slechte zaak, die in principe bestreden moet worden. Veel minder hoor ik over de vraag waarom precies ontlezing fout zou zijn en lezen goed.

Iets dergelijks geldt voor die andere ontwikkeling, de opmars van het beeld. Hierover lijken de zorgen minder groot te zijn dan over de aftocht van het woord. Acties om de beeldcultuur als zodanig in haar opmars te stuiten zijn geloof ik nog niet op touw gezet. Maar waar de beeldcultuur ter sprake komt, daar lijken de meningen toch in het beste geval sceptisch te zijn. Ik kan me niet herinneren ooit zoiets gezien te hebben als een enthousiaste beschouwing over het afschudden van akelige oude woordcultuur en het omhelzen van heerlijke nieuwe beeldcultuur. Als ik het goed zie, is de beeldcultuur als zodanig iets waar iedereen zich bij neerlegt, maar waar niemand zonder meer blij mee is – terwijl eventuele kritiek erop nog minder wordt beredeneerd dan die op de ontlezing.

Het gaat hier om een samenhangend tweetal duidelijke en waarschijnlijk ingrijpende ontwikkelingen. Het verdient, denk ik, grote aandacht. Toch zou ik geen naam kunnen noemen van iemand die in de afgelopen jaren bekendheid heeft verworven met een mening over dit specifieke onderwerp, zoals Evgeny Mozorov over het internet, Edward Snowden over privacyschending of, in Nederland, Thierry Baudet over Europa – iemand wiens naam verbonden wordt met een stevig en duidelijk betoog dat het duo-fenomeen van ontlezing en beeldcultuur zorgwekkend of verheugend, gevaarlijk of hoopgevend is, of nog iets anders.

Zou dat komen doordat de zaak in kwestie zo groot en ongrijpbaar is? De opgang van het beeld en de afgang van het woord vormen een reusachtig, complex en belangrijk onderwerp. Als ik het NWO was zou ik hier mijn geld in steken. Ik aarzel dan ook hevig om er iets over te zeggen in een stukje van 1200 woorden. Waar heb ik het eigenlijk over? Dat alleen al is moeilijk te zeggen. Intussen vraag ik me toch iets af; en wie weet of ik iets losmaak door het hardop te zeggen. Het is dit. Zouden er meer mensen zijn die, net als ik, de beeldcultuur hartgrondig beu zijn? En belangrijker: zijn er meer mensen die, net als ik, een serieus gevaar beginnen te zien in de combinatie van oprukkende beeldcultuur en wegzakkende woordcultuur? En het belangrijkste: als dit zo is, wordt het dan geen tijd om grondig uit te zoeken wat hier gaande is, welke ingrepen hier in principe nodig en welke mogelijk zijn?

De directe aanleiding voor mijn vraag is deze. In de loop van vorig jaar zijn mijn twee abonnementsgenoten en ik tot het besluit gekomen ons abonnement op NRC Handelsblad te beëindigen, en per 1 januari 2014 is het, na heel veel jaren, inderdaad gestopt. Wat voor mij persoonlijk de doorslag gaf was de overweging dat ik mijzelf eigenlijk niet langer hoefde te kwellen met het dagelijkse golfje van afkeer en ergernis bij het zien van deze krant op de deurmat; op zaterdag gingen afkeer en ergernis zelfs meer en meer over in walging en woede. Primitieve behaagzucht en gênante aandachttrekkerij grijnsden me toe vanaf bijna iedere pagina, inclusief de dagelijkse lappen papier waarop bijna of in het geheel niets afgedrukt staat. Het woord lux uit het liberale motto van de krant werd wreed verkracht. Waarbij de overweging kwam dat er honderden euro’s per jaar betaald moesten worden voor dat wat mij onderhand vooral trof als een dagelijkse portie belediging en vernedering. Het goede dat er ook bijna dagelijks nog wel tegenover stond, hoe onmiskenbaar ook, werd schaarser of op zijn best niet afgebroken – in verband met dat goede laat het woordje “nog” zich moeilijk onderdrukken – terwijl de afstotelijkheid alleen maar toenam.

Mijn mening over de NRC geef ik graag voor een betere; ik ben hoe dan ook nooit een grote krantenlezer geweest en ik erken dat mijn besluit iets kinderachtigs en oppervlakkigs heeft. Maar de grens die ik getrokken heb is er een die iedereen wel ergens trekken zal. De mijne ligt reeds hier. Een blik op de eerste drie voorpagina’s van 2014, via mijn computerscherm, wekt eerder opluchting dan spijt, hoewel ik toch weer ging twijfelen door een paar leestips die me na 1 januari via Twitter en Facebook bereikten. Een echte krantenlezer zou het bij zijn beoordeling niet alleen hebben over wat de krant nu biedt, maar ook of vooral over wat de krant niet meer biedt. Dit laatste was de belangrijkste overweging van een van mijn abonnementsgenoten. Hij zag vooral wat er verdween, ik vooral wat er overbleef. Zo hebben we, zei ik, samen een complete motivatie.

Het punt is nu dat ik niet zou weten welke krant ik ervoor in de plaats moet nemen. Hoe men de ontwikkeling ook beoordeelt, onmiskenbaar is dat de NRC in de afgelopen jaren ingrijpend is veranderd; dat bijna alle kranten en tijdschriften zich naar vermogen met hetzelfde sop overgieten; en dat de ontwikkeling voor een belangrijk deel te omschrijven is als zegevierende beeldcultuur in combinatie en wisselwerking met aftakelende woordcultuur.

Het lijkt me te gemakkelijk om te zeggen dat er aan deze ontwikkeling niets te doen is. Dat is wellicht waar, maar evenals bijvoorbeeld in het geval van klimaatverandering zie ik daarin geen reden om de gedachten erover stop te zetten en de gevolgen aan het toeval over te laten. Het is, zei ik, een groot en complex onderwerp – welbeschouwd misschien niet veel kleiner dan klimaatverandering. Want om goed te zien wat de aftocht van het woord betekent zou je, denk ik, moeten nagaan wat destijds de opmars van het woord betekend heeft. Ooit is de mens zich van dieren gaan onderscheiden, wat veel te maken had met het ontstaan van taal; later volgde de stap die nu geldt als de overgang van prehistorie naar historie, wat te maken had met de uitvinding van het schrift.

Natuurlijk gaat het een beetje ver om mijn afscheid van de NRC in verband te brengen met een keerpunt van een dergelijke orde: alsof we op de drempel zouden staan van historie naar post-historie, op een historisch breukvlak waar het hele verschijnsel taal in onbruik raakt. Of er inderdaad iets dergelijks aan de hand is mogen latere historici zeggen (als die er dan nog zijn, maar in dat geval zal het dus wel meevallen). Mij gaat het nu om de vraag of mijn onvrede over de combinatie van oprukkende beeldcultuur en kwijnende woordcultuur door veel mensen wordt gedeeld, en vooral: of deze onvrede zich op een aannemelijke manier laat rationaliseren. Is er iets mis of is er niets mis met deze toestand? Is er iets mis, wat dan precies?

Een antwoord heb ik nog niet klaar. Wel heb ik voorlopig vier  deelvragen genoteerd:
1.  Wat zou het resultaat zijn als de betekenis van alle beelden op de plaats waar vroeger woorden stonden zo compleet en precies mogelijk in woorden werd uitgedrukt?
2.  Wat zou er gebeuren als communicatie in woorden bijna of helemaal niet meer werkte?
3.  Wat hebben beelden te bieden dat woorden niet te bieden hebben?
4.  Wat hebben woorden te bieden dat beelden niet te bieden hebben?

Dat zijn nog steeds grote vragen. Misschien waag ik mij een volgende keer aan een paar pogingen tot antwoord.

Advertenties

PAAS & PEELS EN C. S. LEWIS

Een Lewisiaans commentaar op Stefan Paas en Rik Peels, God bewijzen (2013)

door Arend Smilde

Het boek van Paas en Peels, God bewijzen, behoort voor mij tot de hoogte­­punten van het jaar 2013. Dit vermoedde ik al kort nadat ik erin begonnen was. Ook was ik er al vlug van overtuigd dat het boek geen ge­brek zou krijgen aan lezers, recen­sies en allerhande reacties. Er staat ontzettend veel in, de ordening is voor­treffelijk, de formuleringen zijn van een voor­beeldige eenvoud en helderheid; en de auteurs treffen (zo­ver ik het bepalen kan en met slechts enkele verwaarloosbare uit­zon­de­ringen) pre­cies de goede toon. Men moet van slechten huize komen om op zo’n goed boek verkeerd te reageren. Dus heb ik alle vertrouwen in de nasleep van waardering en kritiek – en weinig algemene behoefte om mijn duit in het zakje te doen.

Een specifieke behoefte heb ik echter wel. Een kleine tegenvaller voor mij als Paas & Peels-lezer annex “Lewis­kenner” is de manier waarop Paas & Peels het werk van C. S. Lewis hebben gebruikt.

… De rest van dit essay (ruim 12.000 woorden) kunt u gratis downloaden als PDF van mijn website, www.lewisiana.nl/nl/paaspeels.

RESPECT VOOR SCHULTZ?

E-mail aan Diederik Samsom en Attje Kuiken, resp. fractievoorzitter een fractielid van de Partij van de Arbeid  in de Tweede Kamer der Staten-Generaal,  6 april 2013

*

Geachte heer Samsom en mevrouw Kuiken,

De Tweede-Kamerfractie van de Partij van de Arbeid zal het besluit van minister Schultz van Haegen tot verbreding van de A27 bij Amelisweerd “respecteren”, zo was de formule enige tijd geleden.

Ik begrijp uit die formule dat de argumenten voor het besluit u niet hebben overtuigd – net zo min als ze veel andere parlementsleden hebben overtuigd, bij elkaar wellicht een ruime meerderheid. Een minister die vorig jaar een zinloze en kostbare snelheidsverhoging in het verkeer doordrukte en nu nota bene uit naam van de verkeersveiligheid een al even zinloos maar nog veel duurder en desastreuzer asfalteringsplan doordrukt, kan weinig aanspraak meer maken op respect.

Maar ik begrijp ook dat dit soort ongelukkige situaties vast onderdeel is van het regeren met partijcoalities. En dat deze situaties, hoe beschamend ook, waar mogelijk worden verbloemd juist door te zeggen dat men een en ander respecteert. Dit kan ik op mijn beurt tot op zekere hoogte respecteren.

Intussen kan ik het ministeriële besluit, bij alle uiterlijke schijn van beschaving, argumentatie en overleg, moeilijk anders zien dan als een extreem kostbare en grootschalige vorm van vandalisme. Dit besluit is een enormiteit die te denken geeft over de relatie tussen coalitiepolitiek en voortgaande asfaltering van Nederland.

Het is niet zeker, maar het zou mij niet verbazen als een meerderheid van de Nederlandse bevolking op zijn minst sceptisch en anders afwijzend staat tegenover die voortgaande asfaltering. Speciaal in een geval als dit. Tegelijk vermoed ik dat als het erop aankomt de meeste van die mensen andere kwesties toch belangrijker zullen vinden. Dat kan ik ook respecteren. Het is alleen erg jammer dat op deze manier die scepsis en afwijzing nooit verzilverd worden. Als het erop aankomt lijken het telkens, of vaak, de verstokte asfaltgelovigen te zijn die aan het langste eind trekken, ook al zouden zij permanent in de minderheid zijn. En wellicht zijn ze dat.

Want stel, bij de volgende verkiezingen behalen VVD en PVV samen zeventig zetels. Een hogere schatting lijkt me niet goed mogelijk. Dan nog hebben zij geen meerderheid. Daarom zouden deze beide partijen de zekerheid moeten hebben dat grote, vandalistische asfaltplannen zoals het huidige plan voor de A27 bij andere partijen simpelweg onbespreekbaar zijn. Zo’n plan zou net zo weinig gehoor moeten vinden als, bijvoorbeeld, een plan om wapenbezit te legaliseren.

Het zou voor deze beide partijen dan op den duur ook geen zin meer hebben om electoraal tegen elkaar op te bieden met asfalteringsbeloften en dergelijke voor “autorijdend Nederland”. Mooie bijkomstigheid zou zijn dat zij hun energie (en ons geld) dan in betere dingen kunnen steken, wat vooral bij de VVD wel mogelijk moet zijn.

Eerlijk gezegd heb ik nog nooit op uw partij gestemd. Ik stem eigenlijk nooit op een grote partij. De voornaamste reden is dat ik parlementsleden liever hoor zeggen wat zij precies willen dan zeggen dat zij iets respecteren terwijl duidelijk is van niet. Daarom, meneer Samsom en mevrouw Kuiken, en fractiegenoten van uw Partij: laat bij de behandeling van dit asfalteringsplan in de Tweede Kamer op maandag 8 april alstublieft zien wat een grote partij toch waard kan zijn – waarin een grote partij “klein” kan zijn!

Een verbrede A27 op zichzelf zullen we wel weer overleven. Maar het lijkt me de hoogste tijd voor een duidelijk signaal dat het afgelopen moet zijn met oud-moderne, twintigste-eeuwse asfalteringswoede. Voor uw partij is het misschien een kwestie van nu of nooit.

Met vriendelijke groet,
en veel sterkte gewenst bij het debat op 8 maart,

Arend Smilde

Utrecht

2 MAART BOMANSDAG

Taalverval is van alle tijden, denk ik, en ik vraag me daarom weleens af hoe de taal eigenlijk ooit ontstaan is. Het zal komen, speculeer ik dan, doordat de manier of de richting van het verval varieert van periode tot periode. Tegelijk met een verarming hier kan zich dan een verrijking daar voordoen, met de mogelijkheid dat op lange termijn het een of het ander overweegt.

Een meer praktische vraag is echter hoe de taal er in onze dagen voor staat. Ik werd daar onlangs weer eens krachtig bij bepaald terwijl ik in een bakkerswinkel op mijn beurt stond te wachten. Een van de andere klanten was een man van ongeveer 35 jaar met twee zoontjes, de oudste 6 of 7 jaar. Aan de muur hing een reclameplaat met de leuze ‘Maandag Brodendag’. Daaronder stond de uitleg dat je op maandag vier broden krijgt voor de prijs van drie. De oudste jongen las: ‘Maandag Brodendag’, en vroeg: ‘Wat is dat, pappa, brodendag?’ Zijn broertje luisterde mee. Het antwoord kwam: ‘Dat betekent dat op maandag het brood centraal staat.’ Ik dacht: en nu het antwoord? Maar dat kwam niet. Dit was het antwoord.

De wezenloze blik in de ogen van die jongetjes! Van dit antwoord hadden zij niet terug. Ze vroegen niet door. Hoe kwam dat? Uiteraard niet doordat de vraag beantwoord was. Maar wel doordat de vader zich hier overgaf aan het type taalverval dat George Orwell in 1946 beschreef in zijn essay ‘Politics and the English Language’. De vader van deze jongens gaf de voorkeur aan vage abstracties en versleten of halfbakken beeldspraak boven concrete begrippen en heldere taal, zelfs waar deze zo voor de hand lagen als hier. Hij gebruikte de taal niet voor wat Orwell noemde expressing thought maar voor concealing or preventing thought, en deed dat niet met een bepaalde bedoeling, laat staan een kwade bedoeling, maar uit gewoonte, uit routine, uit onmacht tot iets anders misschien. Wie een vraag als van dat jongetje beantwoordt door te zeggen dat bij de bakker op maandag ‘het brood centraal staat’, die gebruikt de taal, bedoeld of onbedoeld, als vermomming of verhindering van gedachten en niet als voertuig daarvan.

Het resultaat bij de ontvanger van zo’n boodschap is het veelal ongeanalyseerde gevoel van malaise dat ik aan de ogen van die kleine jongens in de bakkerswinkel meende af te lezen. Dit gevoel kennen we allemaal, bewust of onbewust. We kennen het uit wat Bas Heijne onlangs noemde het ‘zaaddodende proza’ van politici en managers – het soort taalgebruik dat zich helaas lijkt op te werken, of al heeft opgewerkt, tot standaard-Nederlands en model voor de gewone omgangstaal.

Als het om voorbeelden gaat heb ik tien jaar geleden een keer mijn best gedaan. Het was het jaar van de honderdste geboortedag van George Orwell. Ter ere van Orwell deed ik een poging om zijn ‘Politics and the English Language’ (hier te lande enigszins bekend geworden dankzij een essay van Karel van het Reve) over te zetten in het Nederlands van ruim een halve eeuw later. De voorbeelden van Engels taalverval anno 1946 verving ik door Nederlandse voorbeelden anno 2003. Maar wie de strekking van Orwells essay begrijpt, die heeft eigenlijk geen hulp nodig bij het vinden van hedendaagse voorbeelden.

Wat uiteindelijk het meeste helpt tegen taalverval, als er iets helpt, dat zijn wellicht geen klaagzangen, scheldredes, schandpalen of satires. Protest tegen slecht proza, goedmoedig of niet, zal nooit veel indruk maken op mensen die onbekend zijn met het nut en de geneugten van goed proza. Waar het belang van goed proza nooit gezien en ervaren wordt, daar valt het ook niet gemakkelijk uit te leggen. Kritiek kan dan bijna geen andere indruk maken dan die van gezeur, een spaak in het wiel.

Wat we nodig hebben is niet zozeer kritiek op taalverval, kritiek in welke vorm ook. Zinvoller lijkt mij dat een ieder die het belang van goed proza ziet, zich voorneemt in alle omstandigheden zijn best te doen om het goede voorbeeld te geven – niet alleen op plaatsen waar literaire pretenties verwacht worden en welkom zijn, maar altijd en overal. Goed taalgebruik beperken tot ‘literatuur’, nauwlettende woordkeus reserveren voor poëzie, is als geloven op zondag. Goed proza heeft overal zin en geeft overal vreugde. Of het veel helpt in de strijd tegen taalverval is een andere vraag; maar een beter milieu begint bij jezelf en wellicht geldt dat ook voor het taalmilieu.

Het gebeuren bij de bakker viel bijna samen met de honderdste geboortedag van een andere grote schrijver, Godfried Bomans, 2 maart 2013. Dat Bomans nooit een literaire prijs heeft gekregen heb ik altijd een aanfluiting gevonden voor het literaire-prijzencircuit. Het is niet dat ik een Bomans-fan ben in de zin van een Bomansvorser of Bomanskenner of lid van een Bomansvereniging, of dat ik dat zou willen zijn, of dat ik zelfs maar een bijzondere achting voor Bomans zou hebben buiten zijn werk om. Het weinige wat ik buiten zijn werk om van hem weet, vind ik niet bijzonder interessant of verheffend. Ik doe met Bomans weinig anders dan eenvoudig zijn werk lezen – bijna iedere dag wel een paar regels of bladzijden, het maakt bijna niet uit wat; gewoonlijk als slaapmutsje. Dat is voor mij een nimmer uitdrogende bron van diep genoegen in het verschijnsel taal, en van inspiratie om te proberen deze kwaliteit te evenaren. Meer is er niet nodig voor mijn blijvende waardering en dankbaarheid.

De Bomans-lectuur geeft ook mede voedsel aan mijn latente drang tot taalkundige armoedebestrijding. Soms wordt dat verlangen actief. In het gunstigste geval neemt het de vorm aan van een idee. Doordat het incident bij de bakker bijna samenviel met de honderdste geboortedag van Bomans, bedacht ik ineens: een Nacht van de Poëzie kennen we al jaren, vanouds in maart; zou er geen veel groter belang gediend zijn met een Dag van het Proza, jaarlijks op of rond 2 maart, ter bevordering van voortreffelijk Nederlands en tegelijk als eerbetoon aan de onvolprezen, veel te vroeg en schandalig prijsloos gestorven Godfried Bomans?

CHRISTELIJK DARWIN-CONGRES: MOOI EINDE, GOED BEGIN

Darwin-congres 2009 voor Nederlandse christenen

Een terugblik, geschreven kort na afloop.
Hier gepubliceerd in februari 2013 na het bericht dat ForumC een subsidie van 70.000 euro ontvangt van de Amerikaanse organisatie Biologos “om de discussie over schepping en evolutie te verbeteren”.

*

Wat het christelijke Darwin-congres van zaterdag 6 juni [2009] in Nijkerk bereikte is genoeg voor een goed gevoel. Maar het had meer kunnen zijn. Er is met geen woord gerept over het moderniseringsproces. In dat proces zijn mensen sinds mensenheugenis opgenomen, sinds mensenheugenis gaat het ook steeds sneller, en de zaak in kwestie is er een duidelijk voorbeeld van. Hier had men gerust een hele voordracht aan mogen wijden. Misschien zou het goede gevoel dan sneller uitgroeien tot een overtuiging.

Doel van het congres was immers niet zozeer om wie dan ook een bepaalde opvatting over schepping en evolutie bij te brengen, als wel om de deelnemers een bepaalde opvatting over elkaar bij te brengen. Voor- en tegenstanders van meer acceptatie van moderne wetenschap zijn aangemoedigd om alle neiging tot wederzijdse verdacht- en belachelijkmaking te laten varen – of, in het positieve: uitgenodigd om te beamen dat het gemeenschappelijk geloof in Jezus Christus als Zoon van God en Verlosser belangrijker is dan de onvermijdelijk verschillende afwegingen tussen de betekenis van geloof en die van wetenschap, als het om de geschiedenis van het leven op aarde gaat.

Er werden mooie, passende liederen gezongen, er is gebeden en gedankt, en in het openingswoord werd iets aangehaald van de ‘onversneden’-christelijke C. S. Lewis. En toen gebeurde het. Onder auspiciën van onder meer de Evangelische Hogeschool, voormalig bolwerk van creationisme, spraken diverse orthodox-christelijke opinieleiders en wetenschapsmensen urenlang met elkaar en met het publiek over evolutie op een manier alsof de evolutietheorie nu minstens een bespreekbare mogelijkheid is voor christenen. Het is, zo mogen we nu stellen, een voldongen feit dat die theorie in orthodox-christelijke kring volkomen aanvaard is. Uiteraard niet als verplichte manier van denken maar wel, minstens, als een legitieme en gangbare.

Of is dat toch een voorbarige gedachte? Toegegeven, een wens is bij mij de vader van deze gedachte. Vorige zomer las ik (zonder duidelijke aanleiding) The Origin of Species en was zeer gefascineerd. Daarna zag ik dat het volgende jaar een Darwin-jaar zou zijn. Toen dacht ik: wat zou het mooi zijn als straks dat jaar in christelijke kring werd aangegrepen voor een collectief en publiek afscheid van de nog altijd vaag-vanzelfsprekende verwachting dat men gelooft in een recente zesdaagse schepping. Ik schreef een mailtje van deze strekking naar een bevriende redacteur van het Nederlands Dagblad. Het antwoord luidde dat Darwin zeker de nodige aandacht zou krijgen.

Het Darwinjaar was nauwelijks begonnen of er was al meer bereikt dan ik had durven hopen. Ik bedoel het radio-interview van Koos van Noppen met Gijsbert van den Brink op 3 januari 2009. In de ontwikkeling die toen op gang kwam was het congres van 6 juni in Nijkerk misschien een voorlopig eindpunt. De genoemde vaag-vanzelfsprekende verwachting behoort tot het verleden. Een andere vraag is: hoe nu verder. Eindelijk een vraag van belang.

Het wil natuurlijk niet zeggen dat nu ook alle verschillen in afweging van geloof en wetenschap tot het verleden behoren. Die verschillen noemde ik ‘onvermijdelijk’. Ze lijken mij tot op grote hoogte zelfs een goede zaak. Het zou vreemd en verontrustend zijn als ze er niet waren. Geen twee mensen hebben dezelfde vingerafdruk. Geen twee mensen gaan ook precies even graag en gladjes mee in het onomkeerbare proces dat modernisering heet.

Modernisering zie ik als een soort menselijke-natuurwet. Zij hangt samen met een ingrijpend verschil tussen mens en dier. Mensen kunnen leren en daarbij op de schouders van het voorgeslacht staan. Kennis wordt groter en de wereld wordt kleiner, om nooit meer hun oude formaat te krijgen. Versnelling van dat proces is al even onvermijdelijk als de richting; zo ook de versnelling van de versnelling. Niet dat de richting volkomen vastligt, of dat er geen grote rampen in het verschiet kunnen liggen. Hakken hebben we om in het zand te zetten – soms. Bijna niet één stadium van het moderniseringsproces kun je bij voorbaat compleet betreuren of bejubelen. Vaak is het in hoge mate een gegeven, zoals de volwassenwording van een kind. Altijd op de rem staan is even onzinnig als altijd mee ‘vooruit’ hollen. Verschil in voorkeur, spontaan en doordacht, zal er altijd zijn.

Intussen zou voor christenen het gemeenschappelijk geloof in een eeuwige God, Schepper en Verlosser belangrijker moeten zijn dan hun onderling verschil in waardering voor de uitkomsten van moderne wetenschap. Het is mooi als christenen op een congres over dat verschil samen zingen en bidden en normaal kunnen praten, en zodoende gesterkt worden in het gevoel dat dit toch allemaal moet kunnen. Laat het de geschiedenis ingaan als de Nijkerkse Ontroering. Dat gevoel kan wegzakken. Het kan ook doorgroeien in de richting van inzicht en zekerheid. Wat hierbij zeker helpt is een besef dat het verschil ten diepste een zaak van alle tijden is, want een zaak van modernisering.

Dit laatste werd zaterdag door niemand naar voren gebracht. Toch was het congres veel beter dan niets. Het was een goed begin van het vervolg.