HET WOORD IS BEELD GEWORDEN

Bij mijn afscheid van de NRC

Af en toe lees ik iets over de “ontlezing” van Nederland, en soms ook over de alles doordringende “beeldcultuur” van onze dagen. Wat ik me uit het afgelopen jaar herinner aan berichten over ontlezing is niet eenduidig. De een slaat groot alarm, de ander zegt dat het niet slecht gaat of zelfs goed. Vaste prik is wel dat iemand die erover begint ontlezing beschouwt als een slechte zaak, die in principe bestreden moet worden. Veel minder hoor ik over de vraag waarom precies ontlezing fout zou zijn en lezen goed.

Iets dergelijks geldt voor die andere ontwikkeling, de opmars van het beeld. Hierover lijken de zorgen minder groot te zijn dan over de aftocht van het woord. Acties om de beeldcultuur als zodanig in haar opmars te stuiten zijn geloof ik nog niet op touw gezet. Maar waar de beeldcultuur ter sprake komt, daar lijken de meningen toch in het beste geval sceptisch te zijn. Ik kan me niet herinneren ooit zoiets gezien te hebben als een enthousiaste beschouwing over het afschudden van akelige oude woordcultuur en het omhelzen van heerlijke nieuwe beeldcultuur. Als ik het goed zie, is de beeldcultuur als zodanig iets waar iedereen zich bij neerlegt, maar waar niemand zonder meer blij mee is – terwijl eventuele kritiek erop nog minder wordt beredeneerd dan die op de ontlezing.

Het gaat hier om een samenhangend tweetal duidelijke en waarschijnlijk ingrijpende ontwikkelingen. Het verdient, denk ik, grote aandacht. Toch zou ik geen naam kunnen noemen van iemand die in de afgelopen jaren bekendheid heeft verworven met een mening over dit specifieke onderwerp, zoals Evgeny Mozorov over het internet, Edward Snowden over privacyschending of, in Nederland, Thierry Baudet over Europa – iemand wiens naam verbonden wordt met een stevig en duidelijk betoog dat het duo-fenomeen van ontlezing en beeldcultuur zorgwekkend of verheugend, gevaarlijk of hoopgevend is, of nog iets anders.

Zou dat komen doordat de zaak in kwestie zo groot en ongrijpbaar is? De opgang van het beeld en de afgang van het woord vormen een reusachtig, complex en belangrijk onderwerp. Als ik het NWO was zou ik hier mijn geld in steken. Ik aarzel dan ook hevig om er iets over te zeggen in een stukje van 1200 woorden. Waar heb ik het eigenlijk over? Dat alleen al is moeilijk te zeggen. Intussen vraag ik me toch iets af; en wie weet of ik iets losmaak door het hardop te zeggen. Het is dit. Zouden er meer mensen zijn die, net als ik, de beeldcultuur hartgrondig beu zijn? En belangrijker: zijn er meer mensen die, net als ik, een serieus gevaar beginnen te zien in de combinatie van oprukkende beeldcultuur en wegzakkende woordcultuur? En het belangrijkste: als dit zo is, wordt het dan geen tijd om grondig uit te zoeken wat hier gaande is, welke ingrepen hier in principe nodig en welke mogelijk zijn?

De directe aanleiding voor mijn vraag is deze. In de loop van vorig jaar zijn mijn twee abonnementsgenoten en ik tot het besluit gekomen ons abonnement op NRC Handelsblad te beëindigen, en per 1 januari 2014 is het, na heel veel jaren, inderdaad gestopt. Wat voor mij persoonlijk de doorslag gaf was de overweging dat ik mijzelf eigenlijk niet langer hoefde te kwellen met het dagelijkse golfje van afkeer en ergernis bij het zien van deze krant op de deurmat; op zaterdag gingen afkeer en ergernis zelfs meer en meer over in walging en woede. Primitieve behaagzucht en gênante aandachttrekkerij grijnsden me toe vanaf bijna iedere pagina, inclusief de dagelijkse lappen papier waarop bijna of in het geheel niets afgedrukt staat. Het woord lux uit het liberale motto van de krant werd wreed verkracht. Waarbij de overweging kwam dat er honderden euro’s per jaar betaald moesten worden voor dat wat mij onderhand vooral trof als een dagelijkse portie belediging en vernedering. Het goede dat er ook bijna dagelijks nog wel tegenover stond, hoe onmiskenbaar ook, werd schaarser of op zijn best niet afgebroken – in verband met dat goede laat het woordje “nog” zich moeilijk onderdrukken – terwijl de afstotelijkheid alleen maar toenam.

Mijn mening over de NRC geef ik graag voor een betere; ik ben hoe dan ook nooit een grote krantenlezer geweest en ik erken dat mijn besluit iets kinderachtigs en oppervlakkigs heeft. Maar de grens die ik getrokken heb is er een die iedereen wel ergens trekken zal. De mijne ligt reeds hier. Een blik op de eerste drie voorpagina’s van 2014, via mijn computerscherm, wekt eerder opluchting dan spijt, hoewel ik toch weer ging twijfelen door een paar leestips die me na 1 januari via Twitter en Facebook bereikten. Een echte krantenlezer zou het bij zijn beoordeling niet alleen hebben over wat de krant nu biedt, maar ook of vooral over wat de krant niet meer biedt. Dit laatste was de belangrijkste overweging van een van mijn abonnementsgenoten. Hij zag vooral wat er verdween, ik vooral wat er overbleef. Zo hebben we, zei ik, samen een complete motivatie.

Het punt is nu dat ik niet zou weten welke krant ik ervoor in de plaats moet nemen. Hoe men de ontwikkeling ook beoordeelt, onmiskenbaar is dat de NRC in de afgelopen jaren ingrijpend is veranderd; dat bijna alle kranten en tijdschriften zich naar vermogen met hetzelfde sop overgieten; en dat de ontwikkeling voor een belangrijk deel te omschrijven is als zegevierende beeldcultuur in combinatie en wisselwerking met aftakelende woordcultuur.

Het lijkt me te gemakkelijk om te zeggen dat er aan deze ontwikkeling niets te doen is. Dat is wellicht waar, maar evenals bijvoorbeeld in het geval van klimaatverandering zie ik daarin geen reden om de gedachten erover stop te zetten en de gevolgen aan het toeval over te laten. Het is, zei ik, een groot en complex onderwerp – welbeschouwd misschien niet veel kleiner dan klimaatverandering. Want om goed te zien wat de aftocht van het woord betekent zou je, denk ik, moeten nagaan wat destijds de opmars van het woord betekend heeft. Ooit is de mens zich van dieren gaan onderscheiden, wat veel te maken had met het ontstaan van taal; later volgde de stap die nu geldt als de overgang van prehistorie naar historie, wat te maken had met de uitvinding van het schrift.

Natuurlijk gaat het een beetje ver om mijn afscheid van de NRC in verband te brengen met een keerpunt van een dergelijke orde: alsof we op de drempel zouden staan van historie naar post-historie, op een historisch breukvlak waar het hele verschijnsel taal in onbruik raakt. Of er inderdaad iets dergelijks aan de hand is mogen latere historici zeggen (als die er dan nog zijn, maar in dat geval zal het dus wel meevallen). Mij gaat het nu om de vraag of mijn onvrede over de combinatie van oprukkende beeldcultuur en kwijnende woordcultuur door veel mensen wordt gedeeld, en vooral: of deze onvrede zich op een aannemelijke manier laat rationaliseren. Is er iets mis of is er niets mis met deze toestand? Is er iets mis, wat dan precies?

Een antwoord heb ik nog niet klaar. Wel heb ik voorlopig vier  deelvragen genoteerd:
1.  Wat zou het resultaat zijn als de betekenis van alle beelden op de plaats waar vroeger woorden stonden zo compleet en precies mogelijk in woorden werd uitgedrukt?
2.  Wat zou er gebeuren als communicatie in woorden bijna of helemaal niet meer werkte?
3.  Wat hebben beelden te bieden dat woorden niet te bieden hebben?
4.  Wat hebben woorden te bieden dat beelden niet te bieden hebben?

Dat zijn nog steeds grote vragen. Misschien waag ik mij een volgende keer aan een paar pogingen tot antwoord.

Advertenties